Woord

Veel jongeren denken bij literatuur misschien eerder aan ellenlange leesteksten en vervelende boekopdrachten, maar het geschreven woord mag zeker als een kunst beschouwd worden. Wij willen jullie hier aantonen dat het woord ook boeiend kan zijn.

Zorg dat je onze volgende artikels zeker niet mist!

Interview met Alisa

Interview met Alisa

Alisa Coessens is een dichteres van 18 jaar. Ze won in het najaar van 2007 de poëziewedstrijd ‘Carpe Diem’, een prijs die jongeren van zestien tot achttien de kans geeft om te debuteren met een dichtbundel. Dit vonden wij veelbelovend en trokken er eens op uit om haar enkele vragen voor te leggen.

Persoonlijke fiche

Naam: Alisa Coessens
Woonplaats: Buggenhout
Leeftijd: 18 jaar
Burgerlijke staat: in relatie
Studies: Taal- en letterkunde te Antwerpen

Hoe zou jij je zelf omschrijven?

“Spontaan, sociaal geëngageerd want ik geef ook leiding in een jeugdbeweging. Ik word misschien hoofdleidster, dus dan kan je niet zeggen dat ik niet sociaal ben. Verder ben ik cultureel geïnteresseerd: ik ga vaak naar het theater en ik lees veel. Dit vele lezen is nodig voor mijn richting. Ik studeer Taal- en Letterkunde in Antwerpen, Nederlands, theaterfilm en literatuur. ”

Hoe zou je jezelf op poëtisch vlak beschrijven?

“Op poëtisch vlak zoek ik veel. Een echte schrijfstijl heb ik nog niet, maar ik pik hier en daar iets op. Als ik bijvoorbeeld iets lees, neem ik dingen over en probeer dan te puzzelen met van alles. De mensen zeggen dat ik vrij hermetisch, vrij gesloten schrijf. Sommigen beweren dat ik vrij moeilijk schrijf. Ik schrijf wel vrij zintuiglijk en ben niet voor cliché. Poëzie moet beelden oproepen en daaruit moet je een klik maken over wat je denkt. ”

“Poëzie staat dichter bij de waarheid dan wetenschap.” (Martin Heidegger)
Wat vind je zelf van de stelling?

“Ik heb het woord waarheid veranderd. Waarheid staat gelijk aan realiteit en aan werkelijkheid. Poëzie is op zich waarheid, terwijl de wetenschap de waarheid probeert te beschrijven. Dit zal ook wel kloppen, maar poëzie is eerst en vooral een subjectieve werkelijkheid. Echt objectief kan je dit niet noemen. Het is eigenlijk de waarheid op zich, als je bijvoorbeeld ‘een bos’ in een gedicht schrijft, is het gedicht eigenlijk dat bos. Wetenschappelijke informatie over het bos zou je geheel anders interpreteren en zou je zelf linken naar bossen in je omgeving leggen. In het gedicht is dit het bos dat in je geest opgeroepen wordt. Wetenschap is zeker niet minderwaardig voor me. Het is gewoonweg helemaal anders en te vergelijken met de ideeweg van Plato.”

Heeft jouw mama, die ook met poëzie bezig is, je beïnvloed in het beginnen schrijven van poëzie?

“Niet in het beginnen schrijven, maar wel in het graag schrijven en graag lezen. Ze heeft me eigenlijk een cultureel zetje gegeven. Mijn mama is altijd iemand geweest die veel leest en graag naar theater gaat; zo heb ik dat een beetje overgenomen. Het schrijven is begonnen in mijn atelier en ik vond het wel leuk zo een gedicht, dus sindsdien is het niet meer gestopt. Ze heeft nooit gezegd dat ik moest schrijven, maar heeft me onrechtstreeks geïnteresseerd gemaakt en qua mentaliteit heeft ze me laten zien dat schrijven leuk is. Maar ze heeft niet gezegd: je gaat nu schrijven, want ik heb dat ook gedaan.”

Hoe heb je de microbe te pakken gekregen om te gaan dichten?

“Ik ben altijd een grote lezer geweest. Vanaf ik in de tweede kleuterklas zat kon ik al lezen en schreef ik mijn eigen boeken. Ik schreef in feite de Dribbelverhalen over, waardoor ik me al een schrijfster voelde. In het vijfde leerjaar heb ik van Ben Reynders een atelier gekregen. Ik was toen ongeveer elf jaar. Ik won de wedstrijd en sindsdien was ik vertrokken. Ik schrijf met pauzes, geen heel jaar door. Nu heb ik zelfs niets geschreven sinds juni, maar tijdens de examens komen de verlangens naar het schrijven wel weer op.”

Zijn er specifieke plaatsen en tijdstippen waar en wanneer je gedichten schrijft? Of is dit allemaal afhankelijk van jouw humeur?

“Vorig jaar is mijn gedichtenbundel voor de helft in de les geschreven. Op de Metro-krantjes schreef ik flarden naast de Sudoku. Deze kan ik dan uitknippen en verzamel ik in een map. In donkere dagen, op de trein of in de bergen schrijf ik veel meer dan in de zomer. Je voelt je alleen op de wereld dan. Wanneer ik verwonderd word, begin ik daarover na te denken en schrijf ik daar liefst iets over.

Onlangs in Antwerpen bijvoorbeeld was er een vrouw aan het bedelen, maar ik had niet door dat ze aan het bedelen was. Ze was heel vriendelijk naar mij aan het lachen en ik aan het teruglachen. Ik vond het zo absurd omdat ik gewoon tegen die vrouw vriendelijk wou zijn en dan ontdekte ik dat ze haar hand uitgestrekt hield. Toen dacht ik: hoe naïef zijn wij eigenlijk?”

Zijn er verschillende stappen die je volgt om tot het geheel van een gedicht te komen?

“Ik begin dus zoals ik al zei met flarden en schrap daarna heel veel. Bij sommige woorden wil ik hetzelfde zeggen, maar dan met een synoniem. Daarvoor zijn synoniemenwoordenboeken handig en kan dit woord mooier klinken bij de rest van de zin. Qua personen kan ik het hele gedicht in de je-vorm  veranderen naar de hij- of zij-vorm. De gedichten worden veel herlezen en dan laat ik ze weer rusten. Soms vind ik onafgewerkte gedichten terug op mijn computer en dan kan ik deze verder afwerken. Het is dus een langdurig proces. ”

Kreeg je veel media-aandacht na je prijs?

“Ik ben natuurlijk niet Dimitri Verhulst, maar de media-aandacht vond ik helemaal niet leuk. Ik stond in het gemeenteblad van Buggenhout, de Gazet van Antwerpen, Het Nieuwsblad, Het Laatste Nieuws, infoblad Klakson, met een aantal kleine dingen waarvoor ze dus een foto kwamen nemen en een interview afnemen. Dit gebeurde zelfs via e-mail, wat ik het leukste vond. Het artikel in het Nieuwsblad heb ik namelijk zelf geschreven. Het feit van het schrijven vind ik zeer interessant, maar de woorden die verdraaid worden vind ik wel vervelend.”

Hoelang heb je aan jouw dichtbundel gewerkt?

“Een jaar en tien maand. Ik heb de Carpe Diem prijs in november 2007 gewonnen en in september 2009 is hij uitgekomen. Hoewel hij eigenlijk in juni 2009 al klaar was .”

Nu je aan de universiteit zit, schrijf je dan nog evenveel gedichten als vroeger?

“Dat kan ik nu nog niet zeggen, want ben nog maar drie maanden bezig. Ik moet dat altijd van jaar tot jaar bekijken. Mijn ideeën zijn zich aan het ophopen in mijn hoofd omdat ik daar in een totaal andere wereld terecht gekomen ben. Ik zit daar in een Marokkaanse buurt en soms ga ik daar een brood kopen. Ik heb helemaal niets tegen Marokkanen, maar soms zijn ze zo grappig. Eigenlijk niet echt grappig, maar zo anders, leuk om over te schrijven. Er zal geen gedicht komen dat ‘Marokkaan’ heet, maar er zijn enkele impressies die tot een gedicht zullen komen. De gedichten uit mijn bundel spoken nog teveel rond in mijn hoofd. Ik was het productiefste in het vijfde middelbaar omdat ik de bundel moest schrijven. Er stonden een honderdtal gedichten klaar om gepubliceerd te worden, maar er zijn een zestigtal verschenen in mijn bundel. Dit is logisch want niet alle gedichten passen in het thema van de bundel.”

Aan welk gedicht van jouw heb je een hechte herinnering of m.a.w. heb je een lievelingsgedicht en hoe komt dit?

“Ik heb twee gedichten uit de bundel die me sterk bijblijven. ‘Confessie’ vind ik een van de mooiste gedichten die ik heb geschreven omdat er veel aan geknutseld is. Er is zeer lang aan dat gedicht gewerkt en dat is allemaal uitgezocht. Het idee voor dit gedicht is in de bergen ontstaan.

Het ander gedicht is het enige gedicht dat mijn vriend snapt. Het gaat over seks en heet ‘Nu langzamerhand’. Verschillende mensen noemen het nogal uitdagend.

Aan welk gedicht van jouw heb je een hechte herinnering of m.a.w. heb je een lievelingsgedicht en hoe komt dit?